Vonnissen

In deze rubriek vind u een hoop informatie over huurrecht. Wij hebben voor uw een interessant archief opgebouwd wat u kunt helpen bij vragen over problemen met huurders en of andere huurzaken.

Ontruimingsvonnis.nl: Vonnis databank

Huurovereenkomst ontbonden na meer dan drie maanden huurachterstand

18 Mar 2013

Vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

Rolnr.: 1220427 RL EXPL 12-30627 14 maart 2013

Vonnis in de zaak van:

Eiser, wonende te Den Haag, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde sub 1.,

Gedaagde sub 2.,

beiden wonende te Den Haag, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: mr. H. Ensing.

Partijen worden aangeduid als "Eiser" en "Gedaagden".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

de dagvaarding van 12 november 2012, met producties;
de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie.

Na de dagvaarding is bij mondeling tussenvonnis een comparitie van partijen gelast voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Deze heeft plaatsgevonden op 11 maart 2013. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. Verschenen zijn Eiser en haar echtgenoot, bijgestaan door mr. E.C.Y. Cheung, alsmede mr. H. Ensing. Gedaagden zijn niet verschenen.

Feiten

Eiser verhuurt aan Gedaagden de vierkamerwoning op de eerste en tweede verdieping, alsmede de zolder, gelegen aan de tegen een huurprijs van (laatstelijk) € 1.000,00 per maand, de eerste van iedere maand bij vooruitbetaling te voldoen.

Vordering

In conventie:

Eiser vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Daarnaast vordert Eiser de hoofdelijke veroordeling van Gedaagden tot betaling van de som van € 6.831,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.950,00 vanaf 6 november 2012 tot de dag der algehele voldoening, alsmede de veroordeling tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 voor iedere maand, die Gedaagden het gehuurde vanaf 1 december 2012 nog in bezit hebben of zullen houden, een ingegane maand voor een hele gerekend. Tot slot vordert Eiser de veroordeling van Gedaagden in de proceskosten.

Eiser legt aan haar vordering ten grondslag dat Gedaagden tekort zijn geschoten in de nakoming van hun betalingsverplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, door tot en met de maand november 2012 een huurachterstand van € 5.950,00 te doen ontstaan. Tevens vordert zij de betaling van een wasmachine die door Gedaagden van haar hebben overgenomen en waarvoor zij nog niet hebben betaald. Eiser vordert verder betaling van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 813,72 inclusief BTW, alsmede de wettelijke rente, tot 6 november 2012 vastgesteld op € 67,70.

In reconventie:

Gedaagden vorderen veroordeling van Eiser tot betaling van een bedrag van € 500,00 als schadevergoeding. Aan hun vordering leggen Gedaagden - kort samengevat- ten grondslag, dat Eiser op 20 oktober 2012 de stoppen uit de elektrische installatie van het gehuurde heeft gehaald, waardoor Gedaagden bijna vier weken zonder stroom hebben gezeten. Hierdoor hebben Gedaagden zowel materiële als immateriële schade geleden, welke door Eiser dient te worden vergoed.

Verweer

Op het verweer in conventie en in reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en die in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

Gedaagden hebben betwist dat zij een bedrag van € 250,00 verschuldigd zijn voor de wasmachine. Ter comparitie heeft Eiser hierop gesteld, dat mondeling is overeengekomen dat Gedaagden de wasmachine voor voornoemd bedrag zouden overnemen. Eiser is echter bereid om van deze vordering af te zien, onder voorwaarde dat Gedaagden bij vertrek uit het gehuurde de wasmachine laten staan. Gedaagden hebben hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter verstaat dat Gedaagden de wasmachine in het gehuurde zullen laten staan en Eiser haar vordering daarom vermindert met € 250,00.

In de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie hebben Gedaagden nog aangevoerd dat de huurachterstand niet zo hoog was als Eiser stelt, omdat zij de huur een aantal maanden contant hebben betaald. Ter zitting heeft Eiser gesteld dat de huur nimmer contant is betaald en dat zij, door het uitblijven van de huur, zelf financieel in de problemen is gekomen. Niet weersproken door Gedaagden, heeft Eiser verder ter zitting gesteld dat Gedaagden ook de huur over de maanden december 2012 tot en met maart 2013 niet hebben betaald. Gelet op het verhandelde ter zitting, is de kantonrechter van oordeel dat (de gemachtigde van) Gedaagden de vordering in conventie onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken. Tegenover de weerlegging hiervan door Eiser, is de enkele, niet nader toegelichte, stelling dat zij de huur contant hebben betaald onvoldoende. Aan het gedane bewijsaanbod op dit punt gaat de kantonrechter dan ook voorbij. De kantonrechter zal de vordering toewijzen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn zal worden gesteld op 10 dagen na betekening van de uitspraak van de rechter. Daarnaast zal de door Eiser gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, worden niet toegewezen, omdat de bevoegdheid tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming reeds voortvloeit uit de artikelen 555 e.v. juncto artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Gedaagden hebben nog verweer gevoerd tegen de buitengerechtelijke incassokosten. Met de brief van 30 september 2012 heeft Eiser echter voldaan aan het gestelde in artikel 6:96 lid 5 BW, zodat de buitengerechtelijke incassokosten kunnen worden toegewezen, zoals vastgelegd in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen 241 en 242 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zijnde de normering in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal een bedrag van € 750 toewijzen, nu Eiser dit bedrag in haar brief van 30 september 2012 als te verwachten incassokosten heeft genoemd.

Ter comparitie heeft Eiser erkend, dat zij de elektriciteit, zonder daartoe gerechtigd te zijn, deels heeft afgesloten tijdens een termijn van 19 dagen. Uit dien hoofde dient zij de door Gedaagden hierdoor geleden schade te vergoeden. Eiser heeft aangevoerd, dat Gedaagden geen schade hebben geleden, althans nimmer tot een bedrag van € 500,00, nu zij na onderbreking van de elektriciteit door Eiser een aggregaat hebben aangesloten. Deze stelling is door Gedaagden niet weersproken, zodat de kantonrechter uit dient te gaan van de juistheid hiervan. Nu Gedaagden, anders dan zij betogen, niet vier weken zonder stroom hebben gezeten, ziet de kantonrechter aanleiding om de gevorderde schade te matigen tot een bedrag van € 300,00, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.

Gedaagden zullen in conventie als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, met dien verstande dat geen BTW zal worden toegewezen over de door Eiser gevorderde informatiekosten. In reconventie zal Eiser als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Nu dit niet is gevorderd, zal de veroordeling van Eiser in reconventie niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst.

veroordeelt Gedaagden om voormeld gehuurde binnen tien dagen na betekening van de uitspraak van de rechter met al wie en al wat zich daarin van de zijde van Gedaagden mocht bevinden te verlaten en te ontruimen en met afgifte der sleutels ter vrije beschikking van Eiser te stellen.

veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen de som van € 6.517,70 met de wettelijke rente over € 5.700,00 vanaf 6 november 2012 tot de dag der algehele voldoening en verder te betalen een bedrag van € 1.000 00 voor iedere maand, tijdens welke Gedaagden het gehuurde na 1 december 2012 in bezit zullen houden, een ingegane maand voor een hele gerekend.

veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding tot hiertoe aan de zijde van Eiser begroot op € 813,17 waarvan € 500,00 aan salaris gemachtigde.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

veroordeelt Eiser om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Gedaagden te betalen de som van € 300,00;

veroordeelt Eiser in de kosten van het geding tot hiertoe aan de zijde van Gedaagden begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.C. Bordes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2013.